27. feb, 2016

Doorbijten

Hoewel ik veel vaker op Fontanarossa, het internationale vliegveld van Catania, heb gevlogen ga ik nu voor het eerst de stad ín om daar te verblijven. Catania is overzichtelijk. Ik hoef niet lang te zoeken naar B&B Elios, waar ik mijn bagage achterlaat. Als je de centrale winkelstraat, de Via Etna, mijdt ontkom je niet aan verlaten straten met vervallen panden, graffiti en stinkende openbare toiletten. Mijn eerste caffè bij een kiosk op straat is zelfs de bespottelijk lage prijs van vijftig cent niet waard. Maar eenmaal op het Piazza del Duomo, met de karakteristieke olifant, ben ik dat al weer vergeten. Ik loop de kathedraal in een ga even zitten om deze prachtige kerk, opgedragen aan stadsheilige Agatha, te bewonderen. Dan loop ik over de verlaten vismarkt die morgenochtend weer zal bruisen. Aan de buitenkant van het stadscentrum vallen de vele kleine winkeltjes op. Italië is een MKB-land. Rond zes uur vind ik een prachtige enoteca. Ik ben de enige klant. En dat zal ik weten. Keus heb ik niet. Rode wijn is hier Etna Rosso. Hij smaakt me best. De eigenaar komt bij me aan tafel zitten met een boek over de wijnbouw rond de Etna. Hij raakt er niet over uitgepraat. Als ik na een uurtje besluit op te stappen wil hij geen geld. Ik was zijn gast. Dát is Catania. Catanesen zijn misschien wel de aardigste mensen van Italië. Als ik later op de avond in een koffiebar (waar de koffie nóg goedkoper is, veertig cent!) vraag waar ik lekkere vis kan eten loopt de zoon van de eigenaar een paar blokken met me mee om me  naar het aanbevolen visrestaurant te brengen. Daar  eet ik de lekkerste vissoep ooit. Catania is een bezoek meer dan waard. Maar je moet wel even doorbijten.